Bij de bekendmaking van de resultaten van de Grote Scholierenbevraging van de Vlaamse Scholierenkoepel — met 34.000 respondenten een van de grootste bevragingen bij jongeren in Vlaanderen — concentreerden de media zich zonder uitzondering op één item: artificiële intelligentie (AI). Maar we moeten het niet op de eerste plaats hebben over AI. We moeten het hebben over een gebrek aan digitale geletterdheid.
Dat AI veel aandacht krijgt, is in zekere zin logisch, want de cijfers zijn opvallend: de helft van de middelbare scholieren gebruikt meerdere keren per week AI voor schoolwerk, zo’n 20 procent zelfs dagelijks. Slechts 7 procent nooit. En 35 procent controleert de output zelden of nooit. Daar moeten we dus wel even bij stilstaan, want AI-geletterdheid is natuurlijk belangrijk.
Maar het is slechts een deel van een bredere problematiek. Als 14 procent hun schoolwerk volledig uitbesteedt aan een systeem dat plausibel klinkt maar regelmatig hallucineert, dan is er werk aan de winkel. AI-geletterdheid is onderdeel van een groter vraagstuk: wat we écht missen is digitale geletterdheid. Breed, fundamenteel, structureel.
Vragen voor iedereen
Het gaat niet op de eerste plaats over 'hoe gebruik ik ChatGPT verantwoordelijk', maar ook over: Hoe werkt een digitaal systeem? Waarom produceert een taalmodel wat het produceert? Wat is een algoritme, en waarom zou ik me daar iets van aantrekken? Hoe zit data in elkaar, waarom noemen we dat het nieuwe goud terwijl de meeste mensen geen idee hebben wat ze zelf dagelijks weggeven? Wat is cybersecurity in de praktijk? Dat zijn geen vragen voor IT-studenten, maar vragen voor iedereen.
We praten over AI-tools alsof de tool de uitdaging is. Dat klopt niet: de uitdaging is de mens die de tool gebruikt, die de output beoordeelt, die beslist of hij het systeem vertrouwt.
Op infodagen, gesprekken met leerkrachten of rondleidingen op scholen valt telkens op dat de klaslokalen van IT-gerichte richtingen leeglopen. Niet omdat jongeren technologie niet interessant vinden, want ze leven er immers middenin. Maar omdat de redenering op beleidsniveau en in de perceptie van ouders en leerlingen stilaan is: digitale tools zitten nu overal in vervat, dus we moeten er niet meer specifiek op inzetten.
Dat is een misverstand met grote gevolgen: het is niet omdat iets overal aanwezig is, dat iedereen het begrijpt. Een auto rijdt ook overal, maar dat wil niet zeggen dat iedereen weet hoe een motor werkt. Het verschil is: als je motor uitvalt, bel je een garage. Als je digitale systemen falen — en dat doen ze regelmatig, op manieren die niet zichtbaar zijn — weet je vaak niet eens dát ze falen, laat staan hoe.
De paradox
De AI-paradox is dat meer AI, meer automatisering en meer digitale systemen niet leiden tot minder, maar juist tot méér nood aan mensen die deze systemen begrijpen. Efficiëntiewinst creëert nieuwe vraag, geen krimp.
De arbeidsmarktdata bevestigen dat keer op keer. Tegen 2030 zal een groot deel van de jobs (schattingen gaan richting 80 tot 90 procent) minstens digitale basisvaardigheden vereisen. Het gaat dan niet over kunnen programmeren, maar over begrijpen hoe digitale processen werken, datastromen lezen, algoritmes bevragen en systemen kritisch benaderen.
62% van de scholieren zegt dat AI-regels op school verschillen per leerkracht. Dat is geen AI-probleem. Dat is een symptoom van een gebrek aan structureel kader en gedeelde visie.
En toch doen we in het onderwijs het omgekeerde. We degraderen digitale geletterdheid tot een randverschijnsel. Een extra uurtje hier en daar, versnipperd over vakken die er eigenlijk niet voor zijn uitgerust. We missen een gedeelde visie op wat we eigenlijk willen dat jongeren begrijpen over de digitale wereld.
Computational thinking
Een begrip dat vroeger vaak opdook in onderwijsdiscussies en nu bijna volledig verdwenen is: computational thinking. Dat houdt in dat je inzicht hebt in de denkstijl die erachter zit: problemen ontleden, patronen herkennen, oplossingen stap voor stap formuleren en gaandeweg verbeteren.
Dat is geen IT-vaardigheid. Dat is een generieke denkstijl die in wetenschappelijk onderzoek keer op keer gelinkt wordt aan betere probleemoplossing, ook buiten technologische contexten: in de wetenschap, in ontwerp, in economie, in de zorg.
Kinderen die leren hoe een algoritme werkt, leren eigenlijk iets fundamenteels over hoe je een complex probleem aanpakt. Kinderen die begrijpen hoe data gestructureerd zijn, leren iets over hoe kennis georganiseerd kan worden. Dat is de basis die we aan het afbreken zijn op het moment dat we ze het hardst nodig hebben.
72% van de scholieren gaat bij AI te rade voor uitleg over leerstof. Dat is op zich niet zorgwekkend, het is eigenlijk precies hoe het bedoeld is. Een slimme zoekopdracht, een interactieve uitleg, een ander perspectief op een moeilijk concept. Als ze echter niet weten wanneer het antwoord klopt en als ze de basisnotie missen om de output te beoordelen, dan is die 72 procent geen goed nieuws meer, maar een risico.
Het gaat om de mens
In het centrum van elke digitale disruptie staat de mens. Dat klinkt als een open deur. Het is het niet, want in de praktijk handelen we er zelden naar. En die mens wordt daarvoor niet klaargestoomd door hem te leren hóe hij ChatGPT moet gebruiken, maar door hem te leren begrijpen hoe systemen werken, wat hun beperkingen zijn, en waarom ze soms overtuigend klinken terwijl ze feitelijk fout zijn.
Dat vergt de keuze om digitale geletterdheid opnieuw structureel te verankeren in het secundair onderwijs. Niet als extra uurtje informatica ergens in een hoek, maar als een volwaardige pijler naast taal en wiskunde. Niet iedereen hoeft te kunnen programmeren, maar iedereen zou moeten begrijpen:
- Hoe het internet werkt En wat cybersecurity betekent in de dagelijkse praktijk.
- Hoe data wordt behandeld Hoe het verzameld, verwerkt en ingezet wordt door grote platformen.
- Hoe een algoritme beslist Hoe het tot een beslissing komt en waarom dat soms fout of bevooroordeeld gaat.
- Hoe je een digitale bron beoordeelt De kritische blik om informatie op waarde te schatten.
De 34.000 scholieren die deelnamen aan de bevraging lieten van zich horen over dingen die er voor hen echt toe doen: welzijn, het lerarentekort, inspraak, pesten. AI staat zelfs niet in de top 10 van wat hen écht bezighoudt.
Als beleidsmakers, onderwijsprofessionals en opleidingsverantwoordelijken moeten we met hen in gesprek gaan, hun vragen ernstig nemen en grondig nadenken over wat ze echt nodig hebben om de wereld te begrijpen die ze zullen moeten navigeren.
Want het gaat altijd om de mens, niet om de tool.